![]() |
Index duwt loonnorm opzij |
De Standaard schrijft:
"Het Belgisch mechanisme om de lonen automatisch te koppelen aan de gestegen consumptieprijzen is uniek in de wereld. Maar de kritiek op die loonindexering neemt weer toe doordat de loonkosten te hoog oplopen."
"Het lijkt er sterk op dat de vakbonden en de werkgeversfederaties al aan hun klassieke loopgravenoorlog over de loonindexering begonnen zijn, in de aanloop naar het nationale loonoverleg van dit najaar. Slogantaal en jarenoude taboes zorgen steevast voor hoogoplopende emoties in dat loondebat. Maar wat zeggen de feiten? En de cijfers?
Loonnorm. De wet op het concurrentievermogen, die dateert uit 1996, bepaalt dat de Belgische lonen niet meer mogen stijgen dan het gemiddelde van de loonstijgingen in onze drie grote buurlanden: Duitsland, Frankrijk en Nederland. Op basis van die wetgeving spreken de nationale onderhandelaars van vakbonden en werkgeversfederaties om de twee jaar een loonnorm af, die de maximaal toegelaten loonstijging in de sectoren en bedrijven vastlegt. Die norm moet een ontsporing van de Belgische loonkosten voorkomen.
Begin 2007 werd de loonnorm voor de periode 2007-2008 op 5 procent vastgelegd. Dat gebeurde op basis van prognoses, door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), over de loonevolutie bij de buren en de prognoses over de inflatie.
Op dat moment gingen vakbonden en werkgevers uit van een loonindexering, over twee jaar, van 3,4 procent. Maar in het (late) najaar van 2007 is een bijzonder sterke prijsopstoot van energie- en voedselproducten op gang gekomen die op dit ogenblik voor een inflatie van maar liefst 4,3 procent zorgt en die volgens het Planbureau de totale loonindexering in 2007-2008 zal doen stijgen tot 5,1 procent. Veel hoger dan geraamd bij de opmaak van de loonnorm en zelfs hoger dan die loonnorm zelf. De totale loonstijging zou dan op 5,9 procent uitkomen en niet op de beoogde 5 procent (zie grafiek).
Correcties. Nadat in januari van dit jaar in de meeste bedrijfssectoren al een loonindexering (met 2 procent) werd doorgevoerd, zal er door de galopperende inflatie in juni een nieuwe indexering volgen. En met die tweede indexering in 2008 was geen rekening gehouden bij de opmaak van de loonnorm en het afsluiten van de loon-cao's.
Toch zullen niet alle bedrijven de lonen van hun werknemers in juni omhoog zien gaan. In een aantal grote paritaire comités, zoals dat voor de bedienden (ANPCB), is er sprake van een periodieke indexaanpassing, in dit geval jaarlijks in de maand januari. Dus niet vroeger of niet later, altijd in januari, ongeacht de hoogte van het inflatiecijfer op dat moment. Zo'n 300.000 bedienden zullen dus een half jaar moeten wachten op de 'aanpassing' van hun koopkracht aan de inflatie. Ze zullen hun index onverkort krijgen, maar met uitstel. Dat is minder zeker voor heel wat arbeiders. In de meeste cao's voor arbeiders worden de lonen geïndexeerd wanneer de spilindex voor de overheidslonen en uitkeringen is overschreden, of wanneer dat het geval is met een eigen spilindex. Maar in heel wat sectoren bestaan er al afspraken om de niet-geplande indexeringen te compenseren door (een deel) van de beloofde extra loonsverhoging niet uit te betalen.
Hier gaat het om zogenaamde all-in- of saldoloonakkoorden. Bij een all-inakkoord mag de afgesproken maximumloonstijging in geen geval overschreden worden, zelfs niet bij een hoger dan verwachte indexering. Dat systeem bestaat bijvoorbeeld in de bouw. Hier is een (klein) deeltje van de indexering dus niet gegarandeerd.
Het saldomechanisme, zoals dat in de metaalsector bestaat, laat de indexering ongemoeid, maar schrapt in bijkomende (netto)loonsverhogingen, zodat de overschrijding min of meer binnen de perken blijft.
De werkgevers zijn uitdrukkelijk vragende partij voor een uitbreiding en liefst nog een veralgemening van dergelijke akkoorden, maar bij de vakbonden is het verzet erg groot.
Alternatieven. Zijn er nog andere correcties mogelijk om de loonkosten niet te doen ontsporen? Volgens de wet uit 1996 kan een overschrijding van de vorige loonnorm worden aangerekend op de volgende loonnorm. Maar hiervoor bestaat er geen sluitende regeling. De toepassing ervan hangt af van de onderhandelingen in de Groep van Tien.
In feite is niet de overschrijding van de Belgische loonnorm zelf het belangrijkste criterium, maar wel het verschil met de werkelijke loonevolutie in de buurlanden. Als de lonen in Duitsland, Frankrijk en Nederland minder stijgen dan geraamd, kan dat een deel van de Belgische loonontsporing weer opvangen. Concreet: als de CRB-prognose van 5,8 procent loonstijging bij de buren bewaarheid wordt, bestaat er geen Belgische ontsporing.
Gevaar. Zonder het allicht te beseffen hebben de vakbonden het voortbestaan van de klassieke loonindexering ondergraven door begin dit jaar her en der wilde stakingen om meer koopkracht te ondersteunen, en loonopslag te eisen bovenop de bestaande loonafspraken. Volgens Agoria is de prijs voor die 'tussentijdse' loonstijging opgelopen tot bijna 150 miljoen euro."
Bron: De Standaard van 8 april 2008